Praktijk KrachtWater

De werkplek als tegengif

De werkplek als tegengif

•

Identiteit. Ontwikkeling. Leiderschap. Cultuur. | Interim professional & organisatieontwikkelaar

Identiteit. Ontwikkeling. Leiderschap. Cultuur. | Interim professional & organisatieontwikkelaar

•

Er zijn gedachten die zich aandienen zonder uitnodiging. Niet tijdens een gesprek of aan een bureau, maar ergens onderweg. Na een scroll door het nieuws. Na een opmerking die langer blijft hangen dan ik had verwacht. Ik merk de laatste tijd dat één vraag steeds vaker terugkomt, op de meest uiteenlopende momenten:

Waar is de plek, waar mensen nog werkelijk met elkaar zijn?

Niet naast elkaar. Niet langs elkaar. Maar met elkaar in het besef dat je iets deelt, ook als je het ergens niet over eens bent.

Ik zie het in organisaties. Ik zie het in de samenleving. En eerlijk gezegd zie ik het ook bij mezelf: hoe snel een oordeel zich vormt, nog voordat ik goed heb gekeken. Hoe gemakkelijk ik de oorzaak van iets buiten mezelf leg, terwijl ik voor mijn eigen gedrag altijd wel een verklaring vind.

Dat ongemakkelijke besef is de aanleiding voor deze editie.

Wat er buiten gebeurt, komt gewoon mee naar binnen

Nederland is niet het meest gepolariseerde land ter wereld, maar de beleving is er niet minder reëel om. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat driekwart van de Nederlanders denkt dat meningsverschillen over maatschappelijke kwesties steeds groter worden en dat 59% van de Nederlanders vindt dat het met ons land de verkeerde kant op gaat. De zorgen richten zich op verharding, moreel verval en een toenemend gevoel van "wij tegen zij".

Opvallend daarbij: die verharding wordt het sterkst gevoeld in de politiek en op sociale media. In de eigen leefomgeving ervaren mensen het veel minder. Polarisatie is dus deels een perceptieverschijnsel, maar dat maakt haar niet minder krachtig. Wat we als normaal waarnemen, beïnvloedt hoe we ons gedragen.

Psychologen noemen dit descriptieve normen: gedrag dat je afleest van mensen om je heen heeft meer invloed op je eigen gedrag dan regels of waarden die worden voorgeschreven. Als het extreme normaal lijkt, wordt het normaal. En andersom, maar dat deel vergeten we gemakkelijk.

Het oordeel-automatisme

Er is een psychologisch mechanisme dat in dit alles een hoofdrol speelt en dat bijna niemand bij naam kent, terwijl iedereen het elke dag gebruikt.

Er is een reflex die bijna iedereen heeft, maar die vrijwel niemand bij naam kent, terwijl we hem elke dag gebruiken.

De kern is simpel en herkenbaar: als anderen iets doen wat ons niet bevalt, schrijven we dat toe aan wie ze zijn. Als wij zelf iets doen wat niet ideaal is, ligt dat aan de omstandigheden.

Als jij te laat bent, was het het verkeer, de kinderen of de file. Als een ander te laat is, is hij of zij onbetrouwbaar. Als jij een mening hebt die botst met de mainstream, heb je nagedacht en een afweging gemaakt. Als een ander een andere mening heeft, is hij dom, gevaarlijk of kwaadwillend.

Dit mechanisme is geen teken van slechte wil. Het is een cognitieve reflex. Een mentale kortere weg die ons brein neemt om complexe sociale situaties snel te duiden, maar het heeft een hoge prijs. Het maakt reflectie overbodig, want de oorzaak ligt altijd buiten jezelf. Het maakt verbinding onmogelijk, want de ander is al beoordeeld, voordat het gesprek begint. En het schaalt op: van individu naar groep en van groep naar samenleving.

We oordelen eerst, dan zoeken we bewijs. Zoals iemand het ooit treffend formuleerde: als het om morele oordelen gaat, denken we dat we wetenschappers zijn die de waarheid ontdekken, maar in werkelijkheid zijn we advocaten die pleiten voor standpunten die we langs andere wegen al hebben ingenomen.

De paradox van verbondenheid

Misschien het meest verrassende inzicht komt uit recent grootschalig Europees onderzoek onder meer dan 57.000 mensen. De conclusie was contra-intuïtief: de scherpe stijging van polarisatie rond 2008-2010 viel samen met een verdubbeling van het gemiddeld aantal hechte vriendschappen. Van zo'n twee naar vier à vijf.

Meer gelijkgestemde contacten leidt tot meer polarisatie. De bubbel wordt steviger, de buitenwereld vreemder, de oordelen scherper. We zijn socialer geworden, en tegelijkertijd verder van elkaar komen te staan.

Van de straat naar de werkvloer

Tot zover de buitenwereld. Er is een aanname die we graag maken en die niet klopt: dat we op ons werk ineens andere mensen zijn.

Dezelfde reflexen die we meenemen naar de supermarkt, het nieuws en de keukentafel gaan ook mee de vergaderruimte in. De neiging om andermans gedrag te verklaren vanuit karakter in plaats van context, de lage tolerantie voor ambiguïteit of de onbewuste behoefte om eigenaarschap buiten onszelf te leggen.

Op de werkvloer vertaalt dit zich in subtiele maar merkbare patronen: de collega die "gewoon zo is", de afdeling die "altijd moeilijk doet", het management dat "het toch niet snapt". Cultuur is niet wat er op de muur staat. Cultuur is de optelsom van duizenden kleine oordelen per dag.

Wat ik keer op keer waarneem in organisaties: waar mensen zich veilig genoeg voelen om zich uit te spreken, fouten toe te geven en van elkaar te leren, ontstaat iets wat je niet kunt organiseren, maar wel kunt voelen. Mensen worden groter, gesprekken krijgen meer diepte en verschillen worden benut in plaats van vermeden.

Veiligheid maakt mensen groter. Onveiligheid maakt ze kleiner en oordelen daardoor sneller.

Het proefballonnetje

Dan nu het idee dat aan de basis van deze editie ligt en dat ik bewust als proefballon presenteer.

Organisaties zijn misschien wel de laatste plek in ons leven waar we structureel, herhaaldelijk en met een gezamenlijk doel samenwerken met mensen die we niet zelf hebben uitgekozen. Je kiest je algoritme, je kiest je vriendenkring, je kiest je buurt, maar je collega's? Die overkomen je grotendeels.

En juist daarin zit iets waardevols. Iets wat we dreigen over het hoofd te zien, zolang we de organisatie puur als economische eenheid beschouwen.

Onderzoek naar polarisatie laat consistent zien dat de beste tegenkracht niet zit in betere argumenten of scherpere debatten, maar in daadwerkelijk contact met mensen, die anders zijn dan jij, in een context met een gedeeld belang. Organisaties zijn precies dat. Ze zijn, als ze het goed organiseren, mini-hubs van saamhorigheid, gelijkwaardigheid en acceptatie. Niet als vage waarden op een poster, maar als dagelijkse praktijk.

Dat vraagt iets van leiders. Niet de vraag: "Hoe houd ik talent vast?" of "Hoe verhoog ik de productiviteit?", maar de diepere vraag: welke maatschappelijke functie vervult onze organisatie in een wereld die verder uit elkaar bestaat?

Maar dan begint eigenlijk de echte vraag. Want de conclusie dat verbinding belangrijk is, lost nog niets op.

Het fundament dat al staat

De afgelopen weken heb ik in deze reeks laag voor laag onderzocht wat organisaties nodig hebben om deze rol werkelijk waar te maken. Niet als theorie, maar als dagelijkse praktijk.

Verbinding — want het woord is uitgehold geraakt door gebruik, terwijl werkelijke verbinding begint bij jezelf, niet bij een teamuitje of een visiedocument.

Psychologische veiligheid — niet als toestand die je bereikt, maar als gedrag dat je elke dag opnieuw kiest of niet kiest. Zichtbaar op het moment dat het spannend wordt, niet wanneer alles soepel loopt.

Gedrag — want samenwerking stokt zelden op onwil. Ze stokt op gedrag dat we waarnemen maar niet begrijpen. Zolang we gedrag lezen als karakter in plaats van als signaal, missen we wat er werkelijk speelt.

Communicatie en feedback — niet als oplossing, maar als gevolg. Ze functioneren pas echt als de vorige drie elementen op orde zijn. Zonder dat fundament wordt een feedbackgesprek al snel iets wat mensen ondergaan in plaats van gebruiken.

Samenwerking — want ook als mensen naast elkaar bewegen, lijkt het soms alsof ze samenwerken. De onderstroom bepaalt allang de richting, nog voordat er formeel een besluit ligt.

En in de meest recente editie: het systeem zelf — want organisaties lopen niet vast op mensen, maar op systemen die hetzelfde gedrag blijven organiseren. Duurzame beweging ontstaat pas, wanneer het systeem als geheel anders leert kijken naar wat er onder de oppervlakte speelt.

Dat fundament staat. De vraag is nu: waarvoor gebruiken we het?

De handschoen

Organisaties zijn klein genoeg om werkelijk iets te veranderen, en groot genoeg om er iets mee te doen. Kleine hubjes die samen een groter geheel kunnen vormen, maar alleen als ze de handschoen daadwerkelijk oppakken. Niet met een teamdag of een nieuw beleidsstuk, maar door mensgericht te bouwen. Van binnenuit; laag voor laag. Elke organisatie die dat serieus neemt, draagt bij aan wat buiten langzaam verdwijnt.

Verbinding als fundament. Veiligheid als dagelijkse beweging. Gedrag begrijpen als voorwaarde voor echte samenwerking. En pas dan communicatie en feedback die hun waarde krijgen.

De diepere vraag voor organisaties: welke organisatie willen wij zijn voor de mensen die hier elke dag komen? En welke rol spelen wij daarmee in een samenleving die uit elkaar trekt?

Organisaties die dit serieus nemen, bouwen niet alleen aan cultuur. Ze bouwen aan samenleving.